4 t/m
28 december 2010
Ecce homo
De mens centraal in het werk van kunstenaars
Vaak
hoor je kunstenaars zeggen dat de mens centraal staat in hun werk. De samensteller
van de expositie Ecce homo, beeldend kunstenaar Bill Bogaarts, heeft onderzocht
bij wie dit daadwerkelijk het geval is. Hij keek in de documentatie van de Haagse
beeldende-kunstinstelling Stroom, bij academieverlaters, bij leden van de Haagse
Kunstkring, in galeries, en selecteerde 7 kunstenaars die tezamen een goed beeld
geven van de mens, zowel in zijn uiterlijke verschijning als in zijn diepste wezen.
Wat de kunstenaars gemeen hebben is het hanteren van stereotiepen om uitdrukking
te geven aan hun visie op de mens. Het gaat om kwalitatief hoogstaand werk in
verschillende disciplines: ruimtelijk, tweedimensionaal en multimedia.
In
bijna alle oude culturen en tijdvakken in de kunst staat de mens centraal. Het
is een goede zaak om met dezelfde afstand naar de hedendaagse mens te kijken en
je te realiseren welk beeld er uit onze tijd tevoorschijn komt. In deze tentoonstelling
is de mens te zien als onderdeel van de massa (roltrappenvideo van Carla Graft),
als het beeld dat de media ons aanreiken (schilderijen van Willem Goedegebuure),
als individu (zelfportretten van Philip Akkerman), als psychologisch verstrikt
in zichzelf ( schilderijen van Coen Hennipman), als tijdloos wezen (beelden van
Berry Holslag), als mythisch wezen
(foto's van Melanie Bosboom) en als gedroomde
mens (schilderijen van Birgitta Sundström Jansdotter).
Zelf zeggen de kunstenaars over hun werk:
Berry
Holslag (1947)
In mijn werk onderzoek ik de mens in zijn alledaagse omgeving,
de plaats die hij hierin inneemt, de confrontaties die hij aangaat. Mijn monumentale
beelden zijn figuratief en als autonome kunst in de openbare ruimte geplaatst.
Wat op het eerste gezicht een traditionele keuze lijkt zet ik subtiel naar mijn
hand door de beelden in kleur uit te voeren. Zij vormen een eigen wereld die bevolkt
wordt door mannen en vrouwen die door hun neutrale houdingen en gelaatsuitdrukkingen
verwijzen naar individualiteit, waarbij humor en een lichte ironie terugkerende
factoren zijn.
De beelden verkondigen over het algemeen geen boodschap
behalve die van hun min of meer dominante aanwezigheid. Grote thema's en gebaren
interesseren mij niet, het werk is open en zodoende is het voor ieder een aansprekend
projectievlak. Ik werk bewust met de opstelling van mijn beelden, een man tegenover
een vrouw, sculptuur tegenover sculptuur, sculptuur tegenover de ruimte. Mens
tegenover materie.
Willem
Goedegebuure (1953)
Mijn schilderijen baseren zich op een werkelijkheid
zoals die via de media, met name krantenfoto's, tot ons komt. Een wereld die,
vastgelegd door vaak anoniem blijvende persfotografen, reëler lijkt dan degene
die we zien als we de deur uitstappen.
Die wereld van Reuters en AP kent geen
grenzen. Ver en nabij, vroeger en nu worden relatieve begrippen. De krant toont
ons simultaan momenten waar ook ter wereld; momenten van kracht en zwakte, van
groot en klein leed.
In mijn werk wordt die snelle wereld van het nieuws vertaald
naar de veel tragere van de schilderkunst en ontstaan beelden waar de actualiteit
is uitgefilterd. Beelden die zonder hun dynamiek te verliezen een meer blijvend
karakter krijgen en situaties van alle tijden tonen.
Philip
Akkerman (1957)
De zelfportretten van Philip Akkerman zijn alom bekend.
Over zijn werk zegt hij: "Het oog dat alles ziet behalve zichzelf."
Melanie Bosboom (1971) onderzoekt met haar foto's tegenstellingen en ambiguïteit. Contrasten fascineren haar, niet vanwege de extremen, maar juist de combinatie daarvan. Hoe kan een beeld provocerend en uitdagend zijn en tegelijkertijd kwetsbaar en fragiel? Wat is de realiteit - wat is schijn of camouflage? Zij creëert installaties waar personages deelnemen in een rollenspel. Haar karakters hebben zowel een mannelijke als een vrouwelijke kwaliteit. In de foto's is het altijd zijzelf die de hoofdrol speelt en daarin meerdere identiteiten in ongebruikelijke situaties aanneemt. Wat is de relatie tussen het individu en de omgeving?
Het
werk van Coen Hennipman ( Amsterdam 1943 ) is ruim 13 jaar niet in Nederland
te zien geweest omdat de kunstenaar zich in Frankrijk had teruggetrokken. Nu woont
hij weer in het vaderland en toont zijn werk bij de Haagse Kunstkring in een groepsexpositie
onder de titel Ecce homo, ofwel: zie de mens. Pontius Pilatus, die deze woorden
sprak om Jezus de kruisdood te besparen, bedoelde: zie hoe ontredderd en dwaas
deze man is. Pilatus sprak over Jezus maar hij had het ook tegen u en mij kunnen
zeggen.
Ecce homo past goed bij het werk van Coen Hennipman want de ontredderde
en dwaze mens speelt naast het landschap een grote rol in het werk van deze kunstenaar.
Je zou kunnen zeggen dat Coen Hennipman met een warm palet de existentiële
kilte schildert. Maar hij verzacht de pijn. Hij veroordeelt niet maar stuurt zijn
personages naar het rijk van de poëzie waaruit zij herrijzen als onschuldige
tastende wezens. "Dat verzachten van de pijn doe ik omdat de mens het ook
niet kan helpen dat hij mens is", zegt de kunstenaar hierover.
De ontredderde
mensen van Coen Hennipman verschijnen in beeld op twee olieverfschilderijen, een
aquarel en in een aantal gouaches.
Carla
Graft
Het ROLTRAP-video-PROJECT is een zich uitbreidend archief van één
uur durende videofilms van mensen op roltrappen op locaties waar een stad druk
doende is te bewegen. De roltrap, als bron van onderzoek. Als metafoor voor 'het
bewegen in stilstand'. De mens beweegt in een zichzelf bewegende wereld. Op een
roltrap is de vrije wil om te bewegen tijdelijk opgeheven. De mens beslist niet
zelf over zijn ritme. Hij heeft maar ten dele invloed op wat er om hem heen gebeurt.
Onbeheersbare gebeurtenissen. Niets gebeurt zo maar, elke beweging wordt op de
een of andere manier beïnvloed door een andere beweging. Het bewegend perspectief.
Dynamiek van het constante binnen een afgegrensde ruimte. Een nooit identieke
herhaling. Vervagende culturen. De evolutie van de mens. De mens zal fundamenteel
veranderen. De betekenis zal zich in de tijd ontvouwen.
Birgitta
Sundström Jansdotter (Zweden 1966) schildert sterke portretten van zelfbewuste
vrouwen met een zweem van kwetsbaarheid. Met een verscheidenheid aan emoties staan
de portretten van Birgitta centraal in de compositie van het schilderij, doorkruist
met lijnen en patronen die soms de hele achtergrond vullen. De figuren roepen
associaties op met de vrouwelijke icoon uit de reclame-industrie: geïdealiseerd
en mooi.
Alle
schilderijen zijn "zonder titel" genoemd om niets van haar eigen overpeinzingen
te verraden. Ze wil de toeschouwer haar eigen belevingen niet opleggen. Haar werk
roept niettemin sterke persoonlijke herinneringen en emoties op, waarbij elke
uitleg nutteloos lijkt.