4 t/m 29 juni 2004
Kunstenaars uit Wales exposeren bij Haagse Kunstkring

Van 4 t/m 29 juni exposeren 8 kunstenaars uit Wales bij de Haagse Kunstkring. Tegelijkertijd is werk van 8 leden van de Haagse Kunstkring te zien. Deze tentoonstelling met als titel Horizon vindt plaats tijdens een uitwisseling die voortvloeit uit contacten van enkele individuele leden van de Haagse Kunstkring met de International Contemporary Artists Wales. Deze contacten zijn ontstaan tijdens de internationale kunstbiënnale in Harlech.
Deelname aan nationale en internationale uitwisselingscontacten dwingt de individuele kunstenaar zich bepaalde vragen te stellen aangaande herkomst en identiteit: wat voor gevolgen heeft de verdergaande internationalisering voor de beeldtaal van de individuele kunstenaar, en wat voor gevolgen heeft dit voor het publiek?
Tweejaarlijks participeert de Haagse Kunstkring in de internationale Harlech Biennale die sinds 1994 door de International Contemporary Artists Wales georganiseerd wordt. Deze tentoonstelling reflecteert de banden tussen de kunstenaars uit Nederland en hun collega's uit Wales. Uit Wales doen mee: Ivan Bala, John Brown, Tim Davies, Peter Finnemore, Neil Powell, Sara Rees, Andrew Smith en Sue Williams. Vanuit Nederland / de Haagse Kunstkring: Pieter Hoogeveen (1932-2004), Jacquem, Annette Kuyper, Inez Ligtenberg, Wilma Marijnissen, Tineke Porck, Marius Quee en Anna J.van Stuyvenberg.
De tentoonstelling wordt zaterdag 5 juni om 17.00 uur geopend. De meeste deelnemers uit Wales zullen dan aanwezig zijn.

De Nederlandse exposanten

Jacquem neemt deel aan deze tentoonstelling met grote tekeningen in krijt en olieverf. Het werk is uit de serie 'boom presenteert boom', waarin de kunstenares de boom beschouwt als een metafoor voor de alchemistische tweedeling en omkeerbaarheid. Jacquem is geboeid door de organische esthetica van de tekenlijn in bot- en bloemvormen. Ook interesseert zij zich voor de zintuiglijke beleving van het verborgene en immateriële om ons heen: geheime kennis, liefde en vormkrachten die in de natuur besloten liggen.
Annette Kuyper geeft in haar stillevens aan de gewone dingen om haar heen een hernieuwde, bijzondere betekenis. De schilderijen verwijzen naar de geschiedenis van de voorwerpen, de geheimen erachter. Die geheimen zijn misschien nog wel belangrijker dan de voorwerpen zelf. Zo worden de schilderijen kleine monumenten voor de dingen die voorbij gaan. Het is de tijd en onze sterfelijkheid die ons beweegt, aldus de kunstenares.
De bijdrage van Inez Ligtenberg aan deze tentoonstelling bestaat uit een selectie digitale foto's van schaduwen en een variabel object ontstaan uit een aaneenschakeling van metalen staafjes. In haar gehele werk staat energiebundeling en energieoverdracht centraal.

De installatie Windstil NL/B van Wilma Marijnissen is een onderzoek en een voorbereiding op de installatie in het klooster de Achelse Kluis op de grens van Nederland en België, een plek met sterke tradities en rituelen. In januari 2003 begon zij met dit kloosterproject., dat gaat over de drukte en de gekte van de huidige tijd. De kunstenares heeft een jaar lang samen met een steeds wisselende gast de kloostermuur van de abdij met de hand opnieuw gevoegd. Het werken met de handen en het deelnemen aan de dagelijkse gebruiken bepalen het ritme van de dag in het klooster. Dit gastengedeelte van het project is in januari jongstleden afgesloten met de tijdelijke installatie Windstil + 364,80 meter kloostermuur. De kunstenaar heeft besloten in eenzaamheid verder te gaan met de muur.
Het werk van Tineke Porck karakteriseert zich door een stille openheid en is minimaal van aard. Balancerend tussen verstand en gevoel wordt structuur gecombineerd met emotie.
In haar recente tekeningen en schilderijen zien we een zich herhalende vlakverdeling van horizontalen en verticalen, die elkaar kruisen. Deze systematiek is echter geen doel op zich zelf. Het is eerder een hulpmiddel tot neutraliteit, tot het verbinden van het persoonlijke en het onpersoonlijke, tot het raken van een universele gevoelswereld vanuit de persoonlijke emotie van de kunstenaar. Het is tevens een hulpmiddel voor de beschouwer om zich niet te verliezen in een detail, maar gegrepen te worden door het geheel.
Marius Quee confronteert de tentoonstellingsbezoeker met de paradox dat beweging, hoe mechanisch ook, in de eerste plaats leven suggereert. Hij toont een stuiptrekkend pissebed, zo groot als een soepbord, zorgvuldig gemaakt van metaal en kunststof. Het dier ligt op zijn rug, op dat mooie regelmatige pantser en toont zijn kwetsbare ingewanden. Hier en daar beweegt nog een draad of een spriet. Je zou zo waar medelijden krijgen met het stervende dier.

Anna J. van Stuyvenberg
Voorwerpen hebben talloze functies; tastbare geheugensteun is er een van. Het concept van haar werk gaat over een kwetsbare vergankelijkheid die onlosmakelijk verbonden is met geweld. De beeldtaal: het gebaar, een handeling, een gestold moment. Twined (2003) bestaat uit elf fragiele glazen objecten aan de wand, die een lijn vormen. Bij nadere inspectie blijken het maskers te zijn. Misschien wel transparante, glazen bivakmutsen met zwart gemaakte ogen.
Van het werk van de onlangs overleden Pieter Hoogeveen (1932-2004) zijn werktekeningen en foto's te zien. Pieter Hoogeveen stond bekend om zijn zorgvuldig geconstrueerde en technisch volmaakte installaties van perspex, draad en folie. In de Haagse Kunstkring is een permanent aanwezige installatie te zien van transparant buismateriaal.

De exposanten uit Wales

De serie tekeningen van Ivan Bala is gebaseerd op de kaart van Wales. De landstreek is als het ware losgemaakt van de rest van Groot-Brittannië en veranderd in een eiland, waarvan de vorm herinneringen oproept aan een springende, dansende figuur. De verscheidenheid van kleur en vorm verwijst naar de vele variaties, de vele echte en verzonnen identiteiten die de inwoners van dat stuk land in hun geest herbergen. De titel komt van het beroemde Welsh gedicht Hon van T.H. Parry-Williams en is te omschrijven als de vrouwelijke vorm van 'deze ene'. En dat is Wales. Het inspireert de dichter en verstikt hem evenzeer. "God, help me", zegt hij, "ik kan niet ontsnappen aan 'hon'".
Het werk van John Brown gaat over het ervaren van het landschap. Het is zijn bedoeling een compositie te maken die een interactie vormt tussen drie dingen: het gezichtspunt, het waargenomen object en de ontvangen respons.
Van Tim Davies is een serie stillevens te zien. Wat hem bezighoudt is het feit dat er door de deïndustrialisatie steeds meer werkloosheid komt en dat er tegelijkertijd ook steeds minder handmatige arbeid is. Zijn 'etherisch gereedschap' is een bijna fotografische getuige van een tijd die voorbij is. Het heeft dan ook een meer esthetische dan toegepaste functie. De brandplekken verwijzen naar de beschadigde levens van de mensen die door deze ingrijpende veranderingen worden getroffen.

Peter Finnemore is geboeid door het grensgebied tussen werkelijkheid en droom/nachtmerrie, feit en fictie, mythe en geschiedenis. Hij vindt in het medium fotografie, gebaseerd op ruimte, tijd, licht en donker, de ideale ingrediënten voor een persoonlijke verkenning van de alchemie. Door een conceptueel en imaginair gebruik van fotografie vervormt hij de concrete werkelijkheid in poëtisch goud, zoals hij het zelf uitdrukt.
In haar videowerk Field onderzoekt Sara Rees het thema sterfelijkheid. Verwijzend naar katholieke beelden toont Rees een persoonlijk rouwritueel. Hier wordt verdriet niet alleen uitgebeeld als een scheiding van en een protest tegen de werkelijkheid, maar ook als een overgangsplek, een plek in wording.
De schilderijen van Andrew Smith gaan over beweging. Beweging is zichtbaar en objectief waarneembaar door kleur, vorm, licht en het totaalbeeld. Maar beweging is ook onzichtbaar en subjectief: de innerlijke reis, het erin opgaan, communicatie en respons. En dan is er ook nog een secundaire onzichtbare dimensie van herinnering, geheugen en interpretatie. Het verhaal dat in het kunstwerk besloten ligt, treedt naar buiten in picturale kleuren.

Sue Williams behandelt door middel van een persoonlijke dialoog het begrip zelfidentiteit.
Door lyrisch, spontaan, dwingend en zoekend gebruik te maken van het getekende beeld komt zij tot een antwoord op kwesties als man/vrouwzijn en levensvragen. Dit beperkt zich niet tot het privé-domein, maar strekt zich uit naar de politiek.
Door de beelden wil zij een psychologische en een visuele communicatie tot stand brengen of juist verstoren. De waarheid wordt daarbij vaak ondermijnd door beeld en tekst, op zowel serieuze als speelse wijze. De werken onthullen een dubbelzinnige grens tussen zekerheid en onzekerheid en tussen realiteit en fantasie. Het begrip zelfidentiteit met daarin zowel de seksuele als de cerebrale component, wordt opzettelijk aangevallen en ter discussie gesteld.
Voor Neil Powell is het besef dat exposeren een communicatieve activiteit is fundamenteel. Hij wil in zijn werk 'een gesprek voeren' of 'een dialoog aangaan'. En dat, terwijl de kunstpraktijk aan het eind van de twintigste eeuw volgens hem meedogenloos praatziek was!. Maar die was dan ook nog eens bijna geheel gericht op de productie van min of meer uitgewerkte modellen en projecties van de complexiteit van een communicatieve wereld. Weliswaar had deze wereld veel raakvlakken met de kunstwereld, maar de openbare displays, teksten, posters etc. uit deze tijd dienden vaak om het al dan niet vermeende contrast te laten zien met conceptuele kunst, aldus Neil Powell.
Zijn bijdrage aan deze tentoonstelling is een bronzen reliëf en een 'multiple' in de vorm van een poster die gebruik maakt van een klassieke overdrachtsstrategie van conceptuele kunst om het belang van geschiedenis, locatie en publiek te accentueren.

  
Andrew Smith Annette Kuyper Anna J. van StuijvenbergMarius Quee   
 
 
Tineke Porck Peter Finnemore Wilma Marijnissen Neil Powell